18e eeuw: Meere orgel

Het Meere-orgel van 1788

In de oude kerk stond vóór de brand ook een orgel, waar – hoewel twee bronnen hiervan melding maken – weinig van bekend is: "Het vorig orgel, waarvan we alleen het bestaan weten benevens den naam van den laatsten organist Tijmen Nagel, was in 1766 verbrand." Meer dan twintig jaren heeft men zich "zonder zulk een nuttig kerkinstrument beholpen."

Op 28 januari 1786 werd "bij de Regeering deezer plaatse geresolveerd, om een plan tot goedmaaking der kosten voor een nieuw Orgel voor de gemeente ter tekeninge te leggen." Het goede voorbeeld van de regenten had een zodanige uitwerking, dat "men weldra in staat was gesteld om een nieuw Orgel te laaten vervaardigen."

Het nieuwe orgel werd gebouwd door Abraham Meere (geb. 1761) te Utrecht. Deze orgelbouwer had twee jaar eerder zijn eerste instrument voltooid in de R.K. Sint-Vituskerk, de eerste kerk aan de Emmastraat.

Uit de gehouden aanbesteding bleek, dat Meere het orgel volgens tekening voor f2.700,-- aannam. Voor het transport hoefde hij niet te zorgen, dat deed Jan Perk, die daar f12,-- voor kreeg. Het orgel moest uiterlijk 1 juli 1787 worden opgeleverd, maar dat heeft Meere niet gehaald, aangezien het pas ruim een jaar later in gebruik werd genomen. De oorzaak moet waarschijnlijk worden gezocht in het feit, dat Meere in 1787 ook een orgel bouwde voor de hervormde kerk van Beusichem. Twee orgels per jaar bouwen zal voor deze kleine orgelbouwer teveel van het goede zijn geweest.

Het orgel werd 'geëxamineerd en goedgekeurd' door twee adviseurs van de kerkenraad, de organisten F. Nieuwenhuizen, organist te Utrecht, en Ant. Munnikhuizen, organist van de lutherse Oude Kerk te Amsterdam.

Op 13 juli 1788 kwam ds. Frederik Ham naar Hilversum. Ds. Ham was een zakenman, want hij richtte met anderen onder meer een weverij en een tapijtfabriek op. Hij was nog maar net predikant in Hilversum, toen de kerk een nieuw orgel kreeg. Het werd op 30 juli 1788 in gebruik genomen, "door den tegenwoordigen Leeraar, Gode en zijnen dienst toegewijd." Na een inwijdingsrede van ds. Ham werd in de middaguren door organist Nieuwenhuizen uit Utrecht een orgelbespeling gegeven.

De totale kosten, waarschijnlijk inclusief de bouwkundige voorzieningen om de plaatsing mogelijk te maken, beliepen uiteindelijk een bedrag van f3.620,72. Het orgel werd ten dele bekostigd uit vrijwillige bijdragen van de ingezetenen. Over de periode 14 januari 1786 tot 31 januari 1790 werden alle giften voor het nieuwe orgel verantwoord tot een totaal van f2.827,--. Uiteindelijk kwam men f800,-- tekort. In 1789 boden de organisten, Cornelis van Ravenswaay en Harmen R. Vlaanderen, zelfs aan, de schuld af te lossen met het door hun gevraagde salaris van f100,-- per jaar.

Het orgel had twee klavieren van 4,5 octaaf (omvang C t/m fIII) en een aangehangen pedaal (omvang C t/m dI). Het orgel had volgens het bestek drie blaasbalgen, die in de toren werden geplaatst. Na de overdracht van de toren in 1797 aan de burgerlijke gemeente, moest de hervormde gemeente daarvoor een recognitie van f6,-- per jaar betalen.

In het 'Gedenkboek Hilversum' werd opgetekend, dat het Meere-orgel "15 spel” bezat. De dispositie van 22 april 1786 is bewaard gebleven. Daarin is geen verdeling over de beide manualen aangegeven: 

Prestant

8 v (dubbelkorig in discant)

Bourdon

16 v

Holpijp

8 v

Quintadeen

8 v

Octaaf

4 v

Gemshoorn

4 v

Roerfluit

4 v

Quintfluit

3 v

Octaaf

2 v

Mixtuur

3-4-6 sterk

Cornet

4 sterk discant

Flageolet

1 v

Sexquialter

2 sterk discant

Trompet

8 v

Vox humana

8 v

tremulant

 

windventiel

 

In een eind achttiende-eeuwse beschrijving werd vermeld, dat het Meere-orgel "16½ Registers" had. Broekhuyzen vermeldt, dat het orgel 16 stemmen had. Daarin staat ook de verdeling van de registers over het hoofdwerk en het positief: 

Manuaal:

 

Positief:

 

Prestant tin

8 v

Holpijp

8 v

Bourdon disc.

16 v

Gemshoorn

4 v

Quintadena

8 v

Roerfluit

4 v

Quintfluit

3 v

Gemshoorn

2 v

Octaaf

2 v

Flageolet

1 v

Mixtuur

3-4-5-6 sterk

Vox humana

8 v

Cornet disc.

4 sterk

 

 

Trompet

(gehalveerd)

8 v

 

 

een halve koppeling

 

 

 

2 afsluitingen

 

 

 

2 tramblante

 

 

 

ventil

 

 

 

calcanteschel

 

 

 

De wijzigingen ten opzichte van het bestek in 1786 kunnen verband houden met wijzigingen bij de bouw, maar ook met wijzigingen, die in 1841 zouden kunnen zijn uitgevoerd. In dat jaar werd het orgel door Meere gerepareerd. Omdat de zoon van Meere al in 1825 was overleden, zou de 80-jarige vader Meere dit hebben moeten doen. Vader Meere overleed overigens in 1841. Dat hij in dat jaar nog werkte, blijkt uit het feit, dat hij tot aan zijn dood zijn laatste orgel voor Oudewater bouwde, een instrument, dat door de firma Kam en Van der Meulen werd afgebouwd.

In twee bronnen is vermeld, dat de kerk na de herbouw "van binnen pronkt met een goed orgel, waar bij een orchest dat op twee nette colommen rust." De mysterieuze aanduiding "waar bij een orchest" werd verduidelijkt door een beschrijving van Broekhuyzen. Daarin spreekt hij over "een uitmuntend werk met een welgeordende kast, waarbij een orchestplaats, op het oxaal, rustende op twee fraaye colommen." Waarschijnlijk betekende dit, dat er plaats was voor enkele andere musici met hun instrumenten. Het is echter een interpretatie van Broekhuyzen. Het kan ook zijn, dat bedoeld werd, dat het orgel was versierd met spelende muzikanten.

Het orgel heeft 117 jaar dienst gedaan. In 1903 werd het verkocht aan de gereformeerde kerk in Barendrecht. Die kerk werd in 1925 gesloopt. Het is niet bekend wat er toen met het 'Hilversumse' Meere-orgel is gebeurd.

Hoe het Meere-orgel eruit gezien heeft, blijft een vraag. Toch is er wel een tipje van de sluier opgelicht. Op de doorsnede van het ingrijpende verbouwingsplan van 1889 voor de vergroting van de kerk staat tegen de westgevel, in het hart van de achterliggende toren, een orgelfront getekend. Omdat het Meere-orgel pas in 1903 is verkocht om plaats te maken voor een nieuw – veel groter – orgel, moet het getekende orgel het toen aanwezige Meere-orgel zijn (afb. 15). Ook "het oxaal, rustende op twee fraaye colommen," is op de doorsneden te zien. De veronderstelling is nu, dat het orgel tijdens de sloop en vergroting van de kerk gewoon is blijven staan. Later bleek het orgel voor een kerk van 2000 zitplaatsen te klein.

Op de tekening van het orgel is ook te zien, dat op de drie pijpentorens gebeeldhouwde muzikanten met instrumenten aanwezig zijn. In het midden is duidelijk een harpspelende figuur te zien. Deze figuren zullen zijn bedoeld in de oude bronnen, waarin wordt vermeld: "waar bij een orchest."

Afbeelding 15: Het Meere-orgel op de bouwplannen van 1889