20e eeuw: kerkklokken

Nieuwe Kerk gaf dorpskerk naam Grote Kerk

In 1911 werd grond gekocht voor de bouw van een kerk op de hoek Larenseweg/Eemnesserweg. Ontwerp was van J. van Dillewijn te Hilversum. Sindsdien heet het gebouw aan de Kerkbrink, Grote Kerk en dat aan de Laarderweg, Nieuwe Kerk.

Omstreeks 1925 vond een belangrijke vernieuwing van het interieur van de Grote Kerk plaats. De kerk werd van binnen geheel geschilderd in de bekende donkerbruine kleur ter vervanging van het lichtgele imitatie-eiken, er kwamen nieuwe glas-in-loodramen en elektrische verlichting.

De klokken van 1951

In april 1943 werden door de Duitsers diverse klokken uit de Hilversumse toren gehaald om te verschepen naar Duitsland, waar ze zouden worden omgesmolten tot oorlogstuig. Ook de historische klokken van de Grote Kerk werden uit hun klokkenstoelen gelicht. Na de oorlog bleef het nog lang stil in de toren. Door het bestuur van het Goois Museum werd daarom aan de bel getrokken. Uit alle kringen van de bevolking werd in 1949 een comité samengesteld om in de oude toren weer klokken te laten klinken. Op 9 april 1951 werd in het kerkgebouw van de Nederlandse Protestantenbond zelfs een Torenklokken-concert gegeven. De baritonzanger Laurens Bogtman en dr. Anthon van der Horst aan de vleugel brachten enige toepasselijke liederen ten gehore. Het leverde een flink bedrag op. Met de rijksuitkering als vergoeding van oorlogsschade konden twee nieuwe klokken worden gegoten.

Na overleg met de Rijks Commissie van Advies voor Klokken en Klokkenspelen, werd de opdracht verstrekt aan de N.V. IJzergieterij en Machinefabriek Js. Zimmer en Zonen te Amsterdam. Op 22 februari 1951 werden de klokken gegoten. Begin april 1951 werden de klokken geleverd. Door de firma Addicks, stadsuurwerkmakers te Amsterdam werden de klokken in de oude eikenhouten klokkenstoel gehesen (afb. 22). Vrijdag 13 april 1951 vond het proefluiden plaats. De nieuwe klokken bleken een uitstekende klank te hebben.

Afbeelding 22: het aanbrengen van de nieuwe klokken in 1951

 

De grote klok had een E-toon, een diameter van 121,2 cm, een hoogte zonder kroon van 2 m en een gewicht van 1126 kg (de klepel woog nog eens 32 kg).

De kleine klok had een G-toon, een diameter van 102,3 cm, een hoogte zonder kroon van 1,7 m en een gewicht van 698 kg (de klepel woog 28 kg).

Naar oud gebruik werden de klokken van een opschrift voorzien. Voor de zuiverheid van de toon zijn de woorden in de bovenrand geplaatst, en niet meer op het lichaam van de klok, zoals men vroeger deed. De teksten werden gemaakt door de letterkundige prof. dr. G. Stuiveling. Op de grote klok werd als opschrift geplaatst:

"1766 bij laaie brand verloren.

1768 uit puin en as herboren.

1943 geschonden door geweld.

1951 in vrede vrij hersteld."

 Op de kleine klok werd als opschrift geplaatst:

"al ben in kleynder als mijn maat

en minder in gewigt,

nogtans wek ik het volk

en roepse tot hun pligt

1768   1951"

De klokken waren bedoeld om de geroofde klokken in speeltijd te overtreffen. Maar net als de eerste klok(ken) van de middeleeuwse toren werden de naoorlogse klokken op 3 december 1971 door brand verwoest.